Delftse geschiedenis

Een korte terugblik op het bestaan van de Kamer van Charitaten

Het jaartal 1597 valt in een roerige tijd met het oog op de geschiedenis van ons land. De strijd tegen het Spaanse koningshuis had in de jaren daarvoor een gunstige wending aangenomen. De samenwerking tussen prins Maurits en Van Oldenbarnevelt had de Spaanse legers een aantal nederlagen bezorgd. Niettemin drukte de Tachtigjarige Oorlog wel haar stempel op de jonge Republiek der Verenigde Nederlanden. Ook in Delft waren de gevolgen van de Opstand merkbaar. Tal van vluchtelingen zochten hun heil binnen de muren van deze stad. Voorts waren er de zieken en gebrekkigen, die daardoor zonder inkomsten zaten. Ook kende men de werkloosheid en geen werk hebben betekende in die dagen de bedelstaf. Dit alles riep om een uitgebreide, professionele aanpak, gesteund door kerk en overheid. In een poging om een dam op te werpen tegen de meer en meer uitvloeiende armoede werd er op 13 december 1597 door de stedelijke overheid een Kamer van Charitaten opgericht. In het jaar 1614 werden de Kamer van Charitaten en de al langer aanwezige kerkelijke Diakonie samengevoegd. Met de combinatie in 1614 werd door de Kamer een deel van het St. Agathaklooster, gelegen in de Schoolstraat, in gebruik genomen. Daarvan zijn de keuken en de regentenkamer tot op de huidige dag in gave staat aanwezig en met de jaarlijkse open monumentendag te bezoeken. Sinds 1625 hadden een zestal regenten en een zestal ‘diaconen’ gezamenlijk zitting in de Kamer en zij droegen de zorg voor de minder bedeelden in de stad.

Inkomsten van de Kamer

De medewerking van de stedelijke overheid stelde de Kamer in staat om de financiën veilig te stellen. Tal van maatregelen werden getroffen om de inkomsten te vergroten. Zo kende men het recht van opperste kleed. Van alle binnen Delft overledenen moest de beste kleding worden overgedragen aan de Kamer. Tevens kende men de opbrengst van de stads stilleputten. Stilleputten waren bakken, gelegen buiten de Oostpoort, waar de burgers hun afval konden deponeren. Voor dit afval bestond van koopmanszijde veel belangstelling. De pachtsommen die door koopmannen betaald moesten worden kwamen ten goede aan de armenzorg. Ook leverde de godspenningen van de koopmanschappen de Kamer het benodigde op. Deze penningen kwamen van de verkopingen op de Oost-Indische Compagnie. Daar werd o.a. bedongen, dat de kopers ‘neffen de beloofde kooppenningen in banco zouden betalen één gulden per duizend ten behoeve van de Kamer van Charitaten’. Daarnaast kwam de Kamer aan geld door marktgeld van aangevoerde beesten, accijns van de vleeshal, kosten voor het begraven in de kerk, trouwen op het stadhuis, bijdragen uit het Weeshuis en Gasthuis, legaten en testamenten. Tot slot bracht de jaarlijkse collecte op Tweede Kerstdag een hoop geld op. De collecte door de gehele stad duurde ruim een uur. In 1940 kwam een einde aan deze traditie. Van toen af werd deze collecte ingebracht in de kerkdiensten, die wij nu nog kennen als: kerstcollecte voor de Diaconie.

Het werk van de Kamer

‘De klacht der armen’
Delft was vroeger verdeeld in zes kwartieren of wijken. Voor elke wijk droegen een regent en een diacoon de verantwoording. Wanneer iemand in financiële nood verkeerde kon hij of zij zich tot de ‘eigen’ regent of diacoon wenden. Er was dus ruimte voor een persoonlijk gesprek. Was de regent of diacoon voldoende geïnformeerd, dan bracht hij de zaak op de vergadering ter sprake, waarbij de verzoeker om hulp persoonlijk aanwezig diende te zijn. Was de nood zo hoog, dat niet kon worden gewacht tot de eerstvolgende vergadering, dan ware de heren bevoegd om ondersteuning te verlenen buiten de vergadering om. Tot op de dag van vandaag staan er twee tafels in de Kamer van Charitaten. Eén daarvan is de klachttafel. Aan deze tafel zaten de regenten (ook wel ‘meesters’ genoemd) en de diaconen om de klachten van de armen aan te horen. Deze tafel stond hoger op poten dan normaal. Dat had een reden. Wanneer de klacht was aangehoord, moest de hoogte van de ondersteuning worden vastgesteld. Iedere meester en diacoon schreef op een briefje wat naar zijn oordeel het bedrag moest zijn. De briefjes kwamen tenslotte bij de president, die, afgaande op het geschrevene, de bedeling vaststelde. Zoals de tafel nu in de Kamer staat, heeft hij een normale hoogte. Een deel van de tafelpoten en de poten van de bijbehorende stoelen zijn aan het begin van de vorige eeuw afgezaagd.

‘Het brood der armen’
De Kamer van Charitaten bezat op verschillende punten in de stad korenzolders. Het koren werd gebruikt voor het bakken van brood om uit te delen. Dat bakken gebeurde in een eigen bakkerij in de Schoolsteeg. In de korenboeken werd nauwkeurig bijgehouden welke hoeveelheden koren werden ‘opgelegd’ en ‘afgezakt’. Het armenbrood was, ter onderscheiding van de langgebakken broden voor de welgestelden, vierkant van vorm met het stadswapen er ingestempeld. Dit om te voorkomen dat deze broden door de bedeelden zouden worden verkocht.

‘Het vuur der armen’
Driemaal maal in de winter deelde de Kamer van Charitaten turf uit aan de armen. De eerste uitdeling vond begin december plaats. Belanghebbenden ontvingen loden penningen, die elk recht gaven op een mand turf. Aanvankelijk werd de turf thuisgebracht. Daarna namen turfbriefjes de plaats in van de penningen en moest de turf worden afgehaald aan de turfschepen, gelegen aan de Gasthuislaan en de Paardenmarkt.

‘Het lijden der armen’
In de voorgaande eeuwen leden veel mensen aan ‘een steen in de blaas’. Dit blaaslijden kwam ook bij kinderen voor. De behandeling geschiedde in het Gasthuis, maar op een gegeven moment waren de regenten van dat Gasthuis ‘weygerich’ het steensnijden bij arme lieden te bekostigen. Zij meenden dat de Kamer van Charitaten dit voor haar rekening moest nemen. Om uit de moeilijkheden te komen stelde de Kamer in 1642 een eigen steen- en breuksnijder aan. Na het verwijderen van de steen moest deze worden ingeleverd bij de Kamer, waar hij werd bewaard in het stenen kistje, dat helaas niet meer aanwezig is. Het inleveren van de stenen was bedoeld als een middel tot controle. Per slot van rekening liet de steensnijder zich goed betalen…

‘De rust der armen’
Op de zuidwest hoek van de Schoolsteeg lag een pand, dat een onderdeel was van het Prinsenhof, en in 1652 een bijzondere bestemming kreeg. De Kamer van Charitaten stichtte daar het Oude Vrouwen Charitaathuis, een logement voor vrouwen, die door ouderdom en zwakheid niet meer voor zichzelf konden zorgen. Ook was daar plaats voor burgerweduwen en bejaarde alleenstaande vrouwen, die een kapitaaltje achter de hand hadden en zich inkochten in het huis. Daarmee waren zij verzekerd van levenslange huisvesting en verzorging. Aan het hoofd van het huis stond een binnenvader, terwijl een binnenmoeder de zorg had voor de huishouding, daarbij geassisteerd door vier buitenmoeders. De laatsten werden door de stedelijke overheid aangesteld om bij toerbeurt in het huis te helpen en te zien of de binnenmoeder wel handelde volgens de spelregels. In 1759 werd het huis uitgebreid met afdelingen voor oude mannen en kinderen (het Mans-, Vrouwen- en Kinderhuis). Lang hebben de mannen en de kinderen van deze voorziening niet kunnen genieten. Tegen het einde van de 18de eeuw moest de Kamer er in berusten om het Charitaathuis voor afbraak te verkopen vanwege een lege kas. In 1811 werd begonnen met de afbraak. De nooddruftige oudjes kregen nieuwe hoop, toen op 3 januari 1816 de Kamer in vergadering bijeen kwam om zich te bezinnen op de realisatie van een rusthuis. Om een geschikt gebouw te vinden, hoefden zij niet ver te zoeken. Tegenover de Kamer van Charitaten lag het Fraterhuis. Op 1 mei 1825 kon na een ingrijpende verbouwing het rusthuis voor oude mannen en vrouwen worden geopend. Het ‘oudenliedengesticht’, zoals het in de volksmond werd genoemd, betekende dat veel bejaarden het beter zouden krijgen dan in de jaren tussen de verkoop van het Charitaathuis en de opening van het nieuwe rusthuis.

‘De kerk der armen’
Er waren nogal wat mensen van wie de armoede zo groot was, dat zij zich schaamden om naar de kerk te gaan. De kerkenraad van de Hervormde Gemeente wilde deze verhindering wegnemen. De aangewezen weg leek om in de noordbeuk van de Oude Kerk plaatsen te reserveren voor arme gemeenteleden. Als nadeel werd aangevoeld dat de aanblik der armen hinderlijk zou zijn voor de welgestelden. De kerkenraad riep de medewerking in van de Kamer van Charitaten om te komen tot de bouw van een armenkerk. De regenten-diaconen hadden wel oren naar het plan van de kerkenraad. Zij schonken de kerkvoogdij het stuk grond waar het in 1811 afgebroken Charitaathuis had gestaan. Op zondag 9 mei 1847 werd de armenkerk ingewijd. Alle bedeelden werden vermaand naar de kerk te gaan, een vermaning die uitliep op een verplichting, waarbij een doeltreffend middel achter de hand werd gehouden. Bij binnenkomst ontving men een kaart, die in de loop van de week bij het ontvangen van steun moest worden getoond en ingeleverd. Op deze wijze kon worden gecontroleerd of men al dan niet in de kerk was geweest. Bedeelden die zonder wettige redenen de zondagse eredienst niet hadden bijgewoond, verloren de aanspraak op hun bedeling van de daarop volgende week. Rond 1940 is deze bepaald niet zachte aanpak afgeschaft. Het gereedkomen van de Hofkerk aan de Cort van der Lindenstraat in 1960 betekende het einde van de armenkerk. Op het stuk grond staat tot op de dag vandaag de Kamer van Koophandel.

‘Het onderwijs der armen’
Tot slot heeft de Kamer van Charitaten zich vanaf 1597 voor ongeveer 220 jaar ingespannen om de jeugd van de armen de nodige kennis en kunde bij te brengen. Op 1 januari 1818 werd besloten de zogenoemde armenscholen over te dragen aan de Commissie van Toevoorzicht over het Lager Onderwijs.

Opheffing van de Kamer

De in 1854 ingevoerde Armenwet vormde de inleiding tot opheffing van de Kamer van Charitaten. Deze wet huldigde het principe, dat de ondersteuning der armen behoorde te worden overgelaten aan kerkelijke en bijzondere instellingen en daarom geheel aan het publieke gezag onttrokken moest zijn. Met deze regeling zagen de kerkelijke armbesturen een grote zorg op zich afkomen. Weliswaar ontstond er een stelsel, waarbij het gemeentebestuur bijsprong ingeval voor de kerken de ondersteuningskosten te hoog bleken te zijn, dat neemt niet weg dat de kassen stevig moesten worden aangesproken. Zij, die geen kerkelijk onderdak hadden, werden onderhouden door de stad of door bijzondere instellingen. In 1912 werd een nieuwe Armenwet van kracht, waarbij de gedachte van een aan het publieke gezag onttrokken armenzorg min of meer werd verlaten. Vanuit deze situatie kwam gaandeweg het Burgerlijk Armbestuur tot stand, later het Maatschappelijk Hulpbetoon, waaruit de huidige Gemeentelijke Sociale Dienst weer voortvloeide. In 1855 werd voorgesteld om de Kamer van Charitaten op het heffen. Via een verdeelsleutel werd het kapitaal en werden de bezitting van de Kamer verdeeld over de verschillende besturen die waren betrokken bij de zorg voor armen. Op 30 april 1862 werd de laatste vergadering gehouden. Dat was het eindpunt van een geleidelijke afbouw. Vanaf dat tijdstip trad het huidige College van Diakenen zelfstandig op, waarbij het kon bogen op een rijke ervaring, gesteund door kapitaal en goederen, als erfenis van de Kamer van Charitaten.

Bron:
Hydra, P.J., Tussen Jericho en Jeruzalem. Een handreiking voor nieuwe diakenen (Delft 1983).